Ranitomeya variabilis (Zimmermann and Zimmermann 1988)

15-19mm De kikkertjes lijken sterk op R. ventrimaculata en de soort kan beschouwd worden als een kleurvariant van R. ventrimaculata. Op de rug is een genet patroon van gele tot groene lijnen met grote tot kleine zwarte vlekken aanwezig. Op de neus staat kenmerkend een zwarte stip. De poten zijn eveneens genet in dezelfde kleur als de rug of in dunne blauwe lijnen met zwarte stippen. De buikzijde is lichtblauw met zwarte stippen, de keel is geel met eveneens zwarte vlekken.  

Geografische variatie:

De typisch groene variant van R. variabilis komt voor in Tarapoto Peru. In El Dorado San Martin zijn de kikkers veelal groener inclusief de poten en de zwarte stippen op de rug en poten zijn kleiner. Een gele variant met dunnere lijnen wordt eveneens in Peru gevonden. Binnen populaties is er grote variatie in de grootte van de zwarte stippen op de rug en het patroon van gekleurde lijnen.

Roep:

Zachte buzz roep sterk gelijkend met die van R. ventrimaculata

Verspreiding:

Tropisch regenwoud op 600-1200 meter hoogte aan de grens van Peru en Brazilië in de bovenloop van de Rio Huallaga. Tarapoto langs de weg naar Yurimaguas, Rio Ucayali-Amazon, San Martin Province, centraal Peru.

Ecologie:

In gedrag komen de kikkers overeen met R. ventrimaculata. De kikkertjes komen echter voor in hoogland regenwoud. Hun verspreiding in het regenwoud is sterk gekoppeld aan bromelias, voornamelijk Guzmania soorten. De kikkers bewonen zelfs bromelias tot 10 meter hoog in de boom. Eieren en kikkervissen worden afgezet op de rand van watertjes in bladoksels van deze bromelias. De vrouwtjes leggen 2 tot 10 zwarte eieren en de kikkervissen worden met 1 of 2 tegelijk op de rug van het mannetje naar vergelijkbare watertjes in bromelias gebracht. Kikkervissen zijn kannibalistisch en omnivoor, maar het hoofdvoedsel bestaat uit insecten.

Het terrarium:

Voor een groepje van 4-5 dieren lijkt een terrarium van 40x40x60 cm groot genoeg, maar kleiner lukt ook. Een zogenaamd regenwoudterrarium met vochtabsorberend materiaal op de bodem en de wanden, ingericht met enkele houtstronkjes en een aantal bromelia’s is hun behuizing. Biedt ze enkele filmkokertjes aan als schuilplaats en om de eieren in af te zetten.

Temperatuur:

Te houden bij ca 24 tot 26°C.

Groepsgewijs/paarsgewijs:

Groepsgewijs is wel mogelijk maar let wel op dat de mannetjes elkaar niet teveel op de lip zitten!

Eieren:

Legsels bevatten tussen de 2 en 10 eieren.

Overige kweekinformatie:

Ze eten allerlei soorten klein levend voer als mijten, springstaarten en kleine fruitvliegen. Van tijd tot tijd de fruitvliegjes met een vitamine/kalk preparaat bestuiven. De kweek is reeds diverse keren gelukt en verloopt zo ongeveer als bij R. ventrimaculata. Vrouwtjes zijn ronder van vorm, maar het enige zekere geslachtsonderscheid is de baltsroep van het mannetje, een zacht zoemend geluid. Als het vrouwtje rijpe eieren bij zich draagt loopt ze op een roepend mannetje toe. De eieren worden meestal afgezet op een bromeliablad op de rand van het water. Vermoedelijk zet het mannetje zijn sperma in het water af. Na ruim 12-14 dagen komen de larven uit en worden door het mannetjes naar een andere trechter van een bromeliablad gebracht. De larven worden een voor een losgelaten alhoewel er wel meerdere tegelijk op de rug van het mannetje kunnen zitten. Bij 22-23°C zijn de larven na ongeveer 8 weken aan de metamorfose toe. Het jonge kikkertje is dan ca. 1 cm groot en kan met springstaarten, mijten en kleine fruitvliegen worden opgekweekt. Binnen een jaar zijn ze bij goede voedering reeds wederom geslachtsrijp en in staat om voor een volgende generatie te zorgen.

 

Geplaats in: Ranitomeya