Oophaga histrionica

Oophaga histrionica (Berthold 1845)

25-38mm grote zeer divers gekleurde Oophaga. De veelal bont gekleurde kikkers variëren in kleur van oranjebruin, helder geel, rood of wit of een combinatie van deze kleuren met een drukke tekening van zwarte of bruine vlekken. Andere populaties hebben dominantere zwarte of chocolade bruine tekeningen die een enkele gekleurde stip of een aantal vlekken overlaat in helder rood, geel, blauw of wit. De poten en buikzijde van de kikkers is doorgaans in dezelfde kleurschakering als de tekening op de rug.

Geografische variatie:

De kleurvarianten die altijd met O. histrionica worden aangeduid, komen voor in de Choco regio van Colombia. Deze kikkers zijn forser en hebben kenmerkend de dominante tekening van zwart of chocolade bruin die verschillende vlekken of enkele gekleurde stippen achterlaten. De varianten met een kenmerkende stip op de rug worden aangeduid met bulls eye. Ecuadoriaanse en zuidelijke populaties in Colombia worden op basis van minimale verschillen in de roep soms aangeduid onder de naam O. sylvatica en O. occultator. Deze populaties hebben allemaal een fijne tekening van bruine tot zwarte stippen op een helder rood, oranje, groen of vaal geel/bruine kleur. Deze kikkers zijn wat kleiner dan de noordelijke varianten.

Roep: Een lage zeer lang aanhoudende reeks van pumilio achtige chirp. Mannetjes produceren deze geluiden ook wanneer ze geïrriteerd zijn. Bij het zachtjes schudden van het bakje waarin ze worden verkocht, laten de meeste mannetjes zich verleiden tot het maken van geluid.

Verspreiding:

O. histrionica, inclusief O. sylvatica, wordt gevonden vanaf noordwest Ecuador tot in de Choco regio van Colombia tot op 1000 meter boven zeeniveau.

Ecologie:

De kikkers leven op de bosbodem van zeer vochtig tropisch regenwoud, maar kunnen ook worden gevonden in oude bananen plantages met voldoende bladafval. Ze zijn sterk gebonden aan water houdende planten zoals bromelias voor hun voortplanting. Op vele plaatsen worden de kikkers in de bromelia rijk begroeide bomen gevonden tot meters boven de bosbodem. Tussen het blad zoeken de kikkers naar mieren, termieten, kleine kevers en andere kleine geleedpotigen. De legsels bestaan uit 4 tot 20 zwarte eieren die tussen het afgevallen blad worden gelegd. Het vrouwtje zorgt voor de eieren en vervoert ook de kikkervissen naar kleine poeltjes in bromelias of andere planten. Ze keert om de paar dagen terug om de kikkervissen met onbevruchte eieren te voeren. De kikkervissen hebben zich aangepast aan het eten van deze eieren en zijn geheel afhankelijk van het brengen van voedseleieren door hun moeder.

Het terrarium:

Terrarium van ca 80 x 40 x 50 cm voor een groep van ca 4 kikkers en een bodembedekking van bladeren. Belangrijk is het geen planten te kiezen met te kleine bladtrechters.

Temperatuur:

Een “droogseizoen” met 3 maal daags bevochtigen (oktober tot april) en een temperatuur van 18 tot 19°C ‘s nachts en overdag 20 tot 22°C. Een “regenseizoen” met 7 maal daags bevochtigen (mei tot september) bij een temperatuur van 20 tot 25°C heeft geleidt tot succesvolle nakweek.

Groepsgewijs/paarsgewijs:

Groepsgewijs is mogelijk, toch wordt veel geadviseerd ze in koppels te houden.

Eieren:

De grootste activiteit vindt plaats in dit “regenseizoen”. De legsels (4 tot 20 eieren) worden goed afgezet in zwarte filmkokertjes.

Overige kweekinformatie:

Fruitvliegen en springstaarten zijn voldoende als voedsel.

Het mannetje signaleert een vrouwtje door vanaf een blad op een zonnige plek, zijn trillende / zoemende gezang te laten horen. Wanneer het vrouwtje geïnteresseerd is, gaan zij gezamenlijk op zoek naar een geschikte afzetplaats. Het vrouwtje zet haar eieren af op een blad, waarbij het mannetje haar volgt om de eiren te bevruchten. Nadat de eieren bevrucht zijn, bewaakt het vrouwtje het legsel. Na circa 10 dagen komen de larven uit het legsel waarbij zij, met behulp van hun staart, op de rug van het vrouwtje zwemmen. Het vrouwtje vervoert de larven een voor een naar een klein water reservoir, zoals een met water gevulde bromeliaoksel. De larven worden gevoed met voedseleitjes (Zamora et al 1999). Het vrouwtje keert dagelijks terug naar om de voedseleitjes af te zetten. Na drie maanden is de metamorphose compleet en klimmen de jonge kikkers aan land (Staniszewski, 1995; Zamora et al., 1999; National Aquarium in Baltimore, 1999; and Ryan, 1999).

Back To Top